Ja toch, niet dan! – “Kommie uit Rotterdam ofsow?”

IMG_8927.CR2SkkkkAls ik weer eens ergens ben en mensen vragen waar ik vandaan kom, antwoord ik elke keer weer hetzelfde: “Uit Rotterdam, kén je dat niet horen dan?” Dit is wel een van de meest bekende uitspraken die Rotterdammers buiten Rotterdam ongetwijfeld wel eens hebben geroepen. Hiernaast zijn er natuurlijk nog meer ‘bekende’ uitspraken en is er natuurlijk ook een bepaalde manier van ‘Rotterdams’ praten.

Waarschuwing
Ik heb in mijn aankondiging van deze rubriek al vermeld dat Rotterdammers gewoon zeggen wat ze denken en zich verder aan niemand hierbij storen, dus kunnen sommigen uitspraken nogal hard of onbeschoft overkomen. Dit betekent niet dat wij dat ook zo hard of onbeschoft bedoelen, maar eerlijkheid staat in elk geval voorop. Wees dus niet meteen op je teentjes getrapt als jij als niet-Rotterdammer op een dag zo’n opmerking van een Rotterdammer naar je hoofd geslingerd krijgt. Sommige woorden of uitspraken worden ook elders in Nederland gesproken, dat is uiteraard onvermijdbaar, maar toch kun je het volgende wel aannemen als écht Rotterdams.

“kapoentje? Wat zeg je?”
Natuurlijk spreekt niet elke Rotterdammer écht 100% plat Rotterdams. Bij mezelf hoor ik het helemaal niet, maar vrienden en familie van mij die niet uit Rotterdam komen, halen soms toch wel bepaalde woorden of zinnen uit mijn verhalen… Zo zeg ik blijkbaar erg vaak “(Ja) Toch?!” en “hoor” aan het einde van mijn zin, omdat ik onbewust een ‘bevestiging’ van mijn gelijk wil… Maar naast deze bijwoorden, zijn er ook wel Rotterdamse benamingen voor ‘dingen’. Zo weet ik nog dat ik samen met mijn zus vroeger bij familie in Groningen was en wij weleens een ‘kapoentje’ op onze hand hadden toen we buiten speelden. Dat moesten we altijd even laten weten dus zeiden we “Kijk, ik heb een kapoentje op mijn hand!”, waarna we een beetje gek werden aangekeken… “Een kapoentje? Wat is dat? Wat zeg jij nou weer?” Maar toen het ‘kapoentje’ gezien was kregen we nog een reactie: “Ooooh, een lieveheersbeestje! Zeg dat dan!” En mijn zus en ik weer: “Een lievewatvoorbeestje?” Ja, zo ging dat dan ongeveer. Ik hoor sommige mensen nu al denken…. “Dusss ‘Sinterklaas Kapoentje’, gaat over een lieveheersbeestje?” Het antwoord is nee. In het sinterklaaslied zingen ze over een gecastreerde haan (of dit nou beter is dan een lieveheersbeestje weet ik niet, maar goed daar heb ik het verder niet over)

Dé Rotterdamse benamingen
De bekendste zijn toch wel de ‘krootjes’, waarmee rode bieten worden bedoeld. ‘Tinteldoosje’ is ook een bekende, hiermee bedoelen we het telefoonbotje. Een ‘spekkedief’ is een langpootmug. Mensen worden ook wel ‘luitjes’ genoemd. En met de ‘muil’, wordt de mond of hard gezegd ‘bek’ bedoeld. Ik mag ook even niet vergeten dat die verschrikkelijke voetbal hooligans Amsterdam niet uitspreken. Mocht je daar toch iets over willen zeggen en ben je met een Rotterdamse voetbalfan, noem die stad dan gewoon 020. Een vriend wordt wel een ‘maat(je)’ of ‘mattie’ genoemd. Vind je iemand arrogant? Dan heeft degene ‘kapsjones’ of ‘kapsies’. Ben je bij een Rotterdammer op visite en biedt degene je een ‘kaakie’ aan? Degene vraagt gewoon of je een biscuitje of koekje wil. Vraag je de weg in Rotterdam? ‘Daarro’ betekent gewoon ‘Daar’. Stoot je iemand aan en zegt die “loop niet zo te douwen joh”, de vertaling is: “je weet dat je net tegen me aan liep hé, niet zo netjes.” Douwen komt inderdaad natuurlijk van duwen. En mocht je ‘doos’ tegen een vrouw zeggen, dan wordt zij gezien als een dom persoon (maar meestal wordt dit geroepen na een iets wat sukkelige handeling). Vind je iemand idioot? Noem hem dan een ‘halve zool’. Is het ergens erg rommelig of leg er weer een straat open? Noem het dan gerust een ‘pleuriszooi’. Dan kom ik gelijk bij wegwezen, dan ben je gewoon opgepleurt (ja met een t), maar opzouten mag ook. Ophouden ergens mee wordt ook wel aangeduid met ‘kappuh’. Wil je koffie bestellen? Vraag gerust om een bakkie pleur. Ga je eten? Noem het ‘nassen’. Rundvlees is bij ons ‘draadjesvlees’. ‘Jij moet’ korten wij af naar ‘je mot’. En vingers worden wel ‘fikken’ of ‘tengels’ genoemd.

Aantal uitspraken: betekenis
‘Grote muil, dikke lip’ : eigen schuld, dikke bult
‘Niet lullen, maar poetsen’ : doorwerken!!
‘Op je muil!’ : Ben je helemaal gestoord!
‘Ben je van de pot gepleurt?’ : Ben je gek geworden
‘Ben je helemaal van de pot gerukt!’ : Dat gaat mooi niet gebeuren!
‘Die is gestopt met roken’ : iemand is overleden
‘Wat loopie nou te kijken joh’ : je staart of ziet er dom uit (of beide)
‘Die is helemaal van de kaart’ : hij is dronken
‘Goh… (echt waar)’ : (ja) joh
‘Over je nek gaan’ : overgeven
‘Die staat voor paal’ : die staak voor gek
‘Ken het zijn dat ik u kan?’ : hebben wij elkaar wel eens eerder ontmoet?
‘Wat een pestpokkeweer’ : het is regenachtig
‘Die lig voor ape gapen’ : hij is flauwgevallen
‘Of je wors lust’ : zeg je als iemand vraagt of je je vraag wil herhalen
‘Dalijk breekt de pleuris uit’ : Straks loopt het uit de hand

Hoe spreek je dat Rotterdams nou dan? Hier 10 Tips!
1. Zeg wat je denkt! Wees eerlijk, voel je vrij
2. Plak achter zoveel mogelijk woorden een ‘t’, behalve als je in een wel-niet discussie zit, dan zeg je ‘ech wel/niet’
3. Ook de ‘r’ spreken we in Rotterdam anders uit. Als het woord eindigt op de ‘r’, spreken we hem vaak niet uit. En als het woord met de ‘r’ begint, dan wordt het weer anders uitgesproken, meer met een rollende ‘r’, hoe precies kan ik niet zo goed uitleggen, want ik hoor zelf nog steeds het verschil niet.
4. Het werkwoord ‘lopen’ wordt vaak gebruikt in elke context. Dus pleurt die maar lekker in elke zin. Een voorbeeld: “Wat loop jij nou toch te doen?”  of “Ik liep vanmorgen toch te…”
5. Maak van elke ‘ei’ een ‘aai’
6. Zichzelf? Doe maar ‘Z’n eigen’ en ‘elkaar’ is ‘mekaar’
7. Bij verkleinwoorden zeg je ‘ie’ in plaats van ‘je’ aan het einde. Een voorbeeld: ‘kruk’ wordt ‘krukkie’ en geen ‘krukje’ of een ‘hemd’, dat wordt ‘hempie’
8. Dit geldt ook voor veel persoonlijk voornaamwoorden (tweede persoon enkelvoud). Een voorbeeld: ‘Heb je’ wordt ‘Hebbie’
9. Dan heb je nog de werkwoorden kunnen, liggen en willen. Rotterdams is het: kennen, leggen en in de verledentijd van  ‘wilden’: ‘wouden’
10. ‘Ja, toch’, ‘dan’ en ‘Hoor’ aan het einde van de zin plakken of gebruiken als je het ergens mee eens bent. Vraagt een Rotterdammer aan jou “Hou je meer van de zomer of winter?” en houdt jij meer van de zomer antwoord dan met: “Van de zomer, toch”. Vraagt een Rotterdammer aan jou “Mag ik wat vragen?” (heel hoogstwaarschijnlijk, maar stel) antwoord dan met: “Ja hoor”

Ik zie dat ik al aardig veel heb getypt, dus vind ik het weer genoeg voor deze week. Volgende week zal ik wat vertellen over het Schouwburgplein!

k

Ja toch, niet dan!